IVF, ICSI en PGD

IVF versus ICSI

IVF en ICSI zijn vormen van vruchtbaarheidsbehandelingen. Er zijn een hoop overeenkomsten, maar de behandelingen verschillen wel van elkaar. Maar wat is het verschil en wat betekent dat voor u?

Principe IVF en ICSI

In een natuurlijke menstruatiecyclus rijpt normaal gesproken één eiblaasje (follikel), waarna de eisprong plaatsvindt. Hierbij komt er één eicel vrij. Bij een IVF en ICSI behandeling worden de eierstokken van de vrouw gestimuleerd met hormonen, waardoor er meerdere follikels tegelijk gaan groeien. Wanneer de follikels groot genoeg zijn, worden de eicellen uit de follikels gehaald middels een eicelpunctie. Bevruchting van de eicellen vindt buiten het lichaam plaats, in het laboratorium. Uit de bevruchte eicellen ontstaan embryo’s. Deze worden vervolgens teruggeplaatst in de baarmoeder. Zo proberen we een zwangerschap tot stand te brengen.

IVF staat voor In Vitro Fertilisatie. Letterlijk betekent dit bevruchting buiten het lichaam. De afkorting ICSI staat voor Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie. Dit betekent dat er een zaadcel in de eicel wordt geïnjecteerd. Bij beide behandelingen vindt de bevruchting dus buiten het lichaam, in het laboratorium plaats. Het verschil zit hem in de manier waarop de bevruchting tot stand komt.

Bij IVF worden er meerdere zaadcellen bij één eicel gebracht. De zaadcellen proberen dan in de eicel te komen om de eicel te bevruchten. Wanneer één van de zaadcellen hierin slaagt en daarna de kern van de zaadcel samensmelt met de kern van de eicel, is de bevruchting geslaagd. Deze manier van bevruchten bootst de natuur na.

Bij ICSI gaat dit anders. De analist in het laboratorium beoordeelt de in het zaadmonster aanwezige zaadcellen zorgvuldig en selecteert de zaadcellen die er het beste uit zien. Vervolgens wordt er één zaadcel in elke eicel gebracht met een heel dun naaldje. Wanneer de kern van de zaadcel vervolgens samensmelt met de kern van de eicel, is de bevruchting geslaagd.

Wanneer IVF, wanneer ICSI?

Om een eicel te kunnen bevruchten met IVF zijn er voldoende, goed bewegende zaadcellen nodig.
Wanneer het zaad van goede kwaliteit is, wordt er IVF toegepast. Wanneer er niet voldoende goed bewegende zaadcellen aanwezig zijn, is de kans dat de bevruchting slaagt lager wanneer de IVF methode wordt toegepast. Daarom wordt er dan ICSI toegepast in het laboratorium. Het onderscheid wordt dus gemaakt op de kwaliteit van het zaad.

Uw behandeling ziet er voor u, ongeacht of er IVF of ICSI wordt toegepast, precies hetzelfde uit. Het verschil zit in de laboratoriumfase.

 

In onderstaande documenten vindt u een schematische weergave van een IVF en een ICSI behandeling.